Wetgeving & bedragen

Wetswijzigingen - 2004

Periode mei, juni, juli 2004 - Geneeskundige verzorging en uitkeringen

Wijziging van de verordening van 28 juli 2003 naar aanleiding van de invoering van een nieuw financieringssysteem voor de ROB en de RVT
15 MAART 2004

Verordening tot wijziging van de verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 17 mei 2004).

Ter herinnering, het ministerieel besluit van 6 november 2003 houdende organisatie van een nieuw financieringssysteem voor de rustoorden voor bejaarden en de rust- en verzorgingstehuizen is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 26 november 2003 en is in werking getreden op 1 januari 2004.

De invoering van dit nieuw financieringssysteem maakt de wijziging noodzakelijk van bepaalde bijlagen bij de verordening, met name van het model van de individuele kostennota. Bovendien dient artikel 15, §2 van de verordening te worden geschrapt, aangezien artikel 152, §2 van het koninklijk van 3 juli 1996 waarnaar verwezen wordt, niet meer bestaat.

Afschaffing van de papieren factuur in de ziekenhuizen
15 MAART 2004

Verordening tot wijziging van de verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 17 mei 2004).

Met het oog op het concretiseren van de afschaffing van de individuele factuur van de verpleegnota (papieren versie), diende artikel 6, §1 van de verordening van 28 juli 2003 aangepast te worden. Deze afschaffing is echter beperkt tot enkel individuele factuur van de verpleegnota, aangezien er nog geen enkele oplossing is voorgesteld met betrekking tot de overeenstemmingsstrook en aangezien de eventuele weerslag van de afschaffing van de verpleegnota nog moet onderzocht worden.

Om te kunnen overgaan tot de afschaffing van de papieren factuur, moet het betrokken ziekenhuis trouwens beantwoorden aan een zeker aantal door het Verzekeringscomité te bepalen kwaliteitscriteria.

Tijdelijk verblijf buiten de E.U. of buiten de E.E.R.
1 APRIL 2004

Koninklijk besluit tot wijziging, wat het recht op prestaties betreft van arbeidsongeschikte gerechtigden tijdens een tijdelijk verblijf in het buitenland, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 6 mei 2004).

Ter herinnering, de toestemming voor een tijdelijk verblijf gegeven door de adviserend geneesheer mag in principe slechts betrekking hebben op een tijdvak dat afloopt uiterlijk bij het begin van de termijnen die voorzien zijn om de verslagen (rode fiche of groene verlengingsfiche) opgemaakt door de adviserend geneesheer op te sturen naar de G.R.I. Om de sociaalverzekerden Om de sociaal verzekerden (die voor een relatief korte periode naar het buitenland wensen te gaan) niet te straffen wegens de door de stijging van het aantal fiches langer geworden afhandelingstermijnen van de medische dossiers, vond de Dienst uitkeringen van het RIZIV dat de adviserend geneesheer de betrokkene de toestemming kon geven om, voor een korte periode, tijdelijk in het buitenland te verblijven, zelfs wanneer deze periode zich geheel of gedeeltelijk situeert na het begin van de periode die voorzien is voor het opmaken van de verslagen. Artikel 294, §1, 1° diende dus te worden aangepast om een toereikende reglementaire basis te voorzien voor de adviserend geneesheer met het oog op het geven van de toestemming voor een tijdelijk verblijf in het buitenland dat zich geheel of gedeeltelijk situeert in de periode die voorzien is voor het opmaken van de verslagen. Dit zou slechts mogelijk zijn voor een periode van maximum 2 jaar.

Derdebetaler - herintegratie van bepaalde sociale categorieën
25 APRIL 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 tot uitvoering van artikel 53, achtste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 13 mei 2004, 2de Ed.).

Het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 voorziet in gevallen waarvoor de derdebetalersregeling verplicht is, gevallen waarvoor de derdebetalersregeling facultatief is en, ten slotte, gevallen waarvoor de derdebetalersregeling in principe verboden is. Wat dit principieel verbod betreft, voorziet het besluit van 10 oktober 1986 in een bepaald aantal uitzonderingsgevallen, waarvoor het de zorgverstrekker toegelaten is om de derdebetalersregeling toe te passen (artikel 6, 2e lid). Bij het koninklijk besluit van 8 april 2003 (tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 1986) werd artikel 6, 2e lid, 6° vervangen: voorheen werd in de bepaling in kwestie verwezen naar de rechthebbenden op de sociale franchise. Aangezien deze met de invoering van de MAF (maximumfactuur) met ingang van 1 januari 2002 werd afgeschaft, werd de verwijzing vervangen door een verwijzing naar de rechthebbenden op de sociale MAF, om de grootst mogelijke coherentie met de MAF te garanderen.

De groep van de rechthebbenden op de MAF is evenwel niet volledig identiek aan de groep van de gerechtigden op de sociale franchise. De sociale MAF is immers enkel bedoeld voor de gerechtigden waarvan met zekerheid kan gesteld worden dat hun gezinsinkomen laag is. Zo komen personen die sinds zes maanden werkloos zijn, de personen met een handicap, evenals de kinderen die verhoogde kinderbijslag ontvangen omwille van een handicap, niet meer als dusdanig in aanmerking voor de uitzondering op het verbod van toepassing van de derdebetalersregeling. Er diende dus een oplossing te worden gevonden om - in de mate van het mogelijke met terugwerkende kracht - terug deze mogelijkheid in te voeren die van toepassing was voor de voornoemde categorieën die zich in een moeilijke situatie bevinden. Dit werd gerealiseerd door middel van het koninklijk besluit van 25 april 2004.

Samenstelling van de G.R.I.
25 APRIL 2004

Koninklijk besluit tot wijziging, wat de samenstelling betreft van de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit van de Dienst voor uitkeringen, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 14 juni 2004).

Rekening houdend met de stijging van het aantal fiches (verslagen of voorstellen van de adviserend geneesheer) en rekening houdend met het groter aantal dossiers dat maandelijks behandeld dient te worden, was het wenselijk dat de beperkte commissies op regelmatige wijze maandelijks een relatief groot aantal dossiers zouden kunnen behandelen. Omwille van de organisatie van het werk was het ook van groot belang dat de beperkte commissies zouden kunnen worden gehouden zonder onderbreking om één of andere gebruikelijke reden. Dit koninklijk besluit verhoogt het aantal plaatsvervangende leden waarop de verschillende verzekeringsinstellingen een beroep kunnen doen voor het uitvoeren van de taken die voorbehouden zijn aan de Hoge Commissie en meer in het bijzonder van de taken die voorbehouden zijn aan de Beperkte Commissie. Het aantal plaatsvervangende leden wordt aldus verdubbeld tot achtentwintig, om zo de continuïteit van de activiteiten optimaal te kunnen garanderen.

Nomenclatuur revalidatie
25 APRIL 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 januari 1991 tot vaststelling van de nomenclatuur van de revalidatieverstrekkingen bedoeld in artikel 23, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 tot vaststelling van de honoraria en prijzen van die verstrekkingen en tot vaststelling van het bedrag van de verzekeringstegemoetkoming in die honoraria en prijzen (B.S. 1 juni 2004).

De aangebrachte wijzigingen hebben tot doel:

  • de invoeging van een nieuwe verstrekking van een uur, bedoeld voor rechthebbenden met een zwak gezichtsvermogen, volgens dezelfde definitie als die, gegeven in de overeenkomst,
  • de inhoud van de orthoptiezittingen (zittingen van ½ uur en zittingen van een uur) meer in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het K.B. van 24 november 1997 betreffende de beroepstitel en de kwalificatievereisten voor de uitoefening van het beroep van orthoptist en houdende vaststelling van de lijst van de technische prestaties en van de lijst van handelingen waarmee de orthoptist door een arts kan worden belast. De orthoptiezittingen kunnen eventueel worden voorgeschreven na een eerste onderzoek, uitgevoerd in het kader van de overeenkomst. Het is aan de oftalmoloog van de revalidatie-instelling om een keuze te maken tussen multidisciplinaire revalidatie en behandeling door een orthoptist. Het cumuleren van multidisciplinaire revalidatie en behandeling door een orthoptist is verboden.

Nieuwe sociaal statuut van de onthaalouders
25 APRIL 2004

Koninklijk besluit tot wijziging, wat de onthaalhouders betreft, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 18 mei 2004).

Ter herinnering, het statuut van de onthaalouders is in werking getreden op 1 april 2003. Om redenen van rechtszekerheid, is het aangewezen om het koninklijk besluit van 3 juli 1996 aan te passen voor wat de volgende punten betreft:

  • de dagen jaarlijkse vakantie waarop de onthaalouder recht heeft en de wettelijke feestdagen worden gelijkgesteld met arbeidsdagen of -uren voor het volbrengen van de wachttijd en voor het latere behoud van het recht op uitkeringen. Artikel 203 van het K.B. van 3 juli 1996 geeft een opsomming van de dagen die gelijkgesteld worden met arbeidsdagen (of arbeidsuren). Artikel 203, derde lid vermeldt "de dagen wettelijke vakantie". Dit begrip, zoals het op uniforme wijze voor alle sectoren van de sociale zekerheid is bepaald, heeft echter geen betrekking op de (onbetaalde) vakantiedagen van de onthaalouders. Artikel 203, achtste lid vermeldt de niet-gepresteerde dagen waarvoor de werkgever een loon dient uit te betalen. Bijgevolg is deze bepaling enkel van toepassing op de betaalde wettelijke feestdagen. Daarom wordt artikel 203 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 aangevuld met de dagen jaarlijkse vakantie en de wettelijke feestdagen van de onthaalouders. Artikel 2003 diende dus aangevuld te worden met de dagen jaarlijkse vakantie en de wettelijke feestdagen van de onthaalouders.
  • De dagen waarvoor de onthaalouder een opvanguitkering ontvangt omdat hij (of zij) om redenen van overmacht geen kinderen opvangt, zouden eveneens gelijkgesteld worden aan arbeidsdagen voor het volbrengen van de wachttijd. Het is wenselijk om deze dagen van gecontroleerde werkloosheid gelijk te stellen in het kader van de uitkeringsverzekering. In dat geval wordt de opvanguitkering betaald door de instellingen belast met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen. Artikel 246 van het K.B. van 3 juli 1996 (begrip gecontroleerde werkloosheid) kan dus worden aangevuld met de vermelding dat de dagen die overeenstemmen met het aantal opvangvergoedingen waarop de onthaalouder recht heeft voor de maand in kwestie, beschouwd worden als dagen van gecontroleerde werkloosheid.
  • de dagen wettelijke vakantie en de wettelijke feestdagen moeten ook geneutraliseerd worden voor de berekening van de aanvullende bijdrage in de zin van artikel 290 van het K.B. van 3 juli 1996, artikel 290 is eveneens in die zin aangevuld.
  • Het leek eveneens wenselijk om de dagen wettelijke vakantie en de wettelijke feestdagen gelijk te stellen aan een periode tijdens dewelke de titularis is blijven werken, zodat ze dus in aanmerking kunnen worden genomen voor de verlenging van het postnataal verlof. Artikel 220 van het K.B. van 3 juli 1996, dat een opsomming geeft van de gelijkgestelde dagen, is dus eveneens aangevuld in die zin.

Administratieve vereenvoudiging - vergoeding van farmaceutische specialiteiten
27 APRIL 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten (17 mei 2004).

Dit besluit kadert in de administratieve vereenvoudiging met betrekking tot het voorschrijven en vergoeden van farmaceutische specialiteiten.

Enerzijds wordt een procedure uitgewerkt om de voorafgaandelijke machtiging te vervangen door een controle achteraf. De basisvoorwaarden om geneesmiddelen terug te betalen met een controle achteraf zijn tweevoudig: er moeten ruim verspreide en algemeen gekende principes van goede medische praktijk bestaan en bovendien mag dergelijke wijziging van de vergoedingsmodaliteiten geen negatieve budgettaire weerslag hebben voor de verzekering. De procedure zal in grote lijnen als volgt verlopen: de Minister van Sociale Zaken geeft het startschot door groepen van geneesmiddelen aan te duiden die hiervoor in aanmerking komen en vraagt vervolgens aan de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen om vergoedingsmodaliteiten uit te werken die gebaseerd zijn op aanvaarde principes van de goede medische praktijk. Voor de toepassing van het besluit en overeenkomstig artikel 73, § 2 van de gecoördineerde ZIV-wet moeten dergelijke vergoedingsmodaliteiten als aanbevelingen worden gedefinieerd. Deze aanbevelingen worden dan goedgekeurd en de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten wordt aangepast. Bovendien krijgt het Comité voor de evaluatie van de medische praktijk inzake geneesmiddelen de opdracht om indicatoren uit te werken, volgens dewelke nadien het voorschrijfgedrag van de artsen kan beoordeeld worden.

Anderzijds wordt een procedure uitgewerkt om over te kunnen schakelen naar een terugbetaling zonder aanduiding van specifieke vergoedingsvoorwaarden. De overschakeling naar deze vorm van terugbetaling is gekoppeld aan een dermate belangrijke daling van de vergoedingsbasis dat dit een positieve budgettaire weerslag tot gevolg heeft.

Ook hier geeft de Minister van Sociale Zaken het startschot door groepen van geneesmiddelen aan te duiden die hiervoor in aanmerking komen en bepaalt hij, na advies van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen, het minimumpercentage van de daling van de vergoedingsbasis van de betrokken geneesmiddelen. Dit percentage zal gebaseerd worden op de te verwachten volumeverschuivingen. Vervolgens volstaat een aanvraag vanwege de bedrijven tot verlaging van de vergoedingsbasis van hun geneesmiddelen. Indien dit gebeurt conform de vastgestelde regels, zal de Minister de lijst aanpassen.

Tenslotte voorziet het besluit dat de Minister de farmaceutische specialiteiten waarvoor in 2004 een deelbudget is voorzien onmiddellijk kan vrijstellen van een voorafgaandelijke machtiging van de adviserend geneesheer met een controle achteraf. Hiertoe stelt de Minister aanbevelingen op, gebaseerd op de bestaande resultaten van de werkgroep "hypolipemiërende geneesmiddelen" van de Commissie. Deze aanbevelingen worden door de Minister aan de Commissie meegedeeld en zijn beslissing wordt genotificeerd aan de betrokken aanvragers.

Heelkunde op de thorax en cardiologie - Elektrokatheters
4 MEI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (B.S. 27 mei 2004, 2de Ed.).

De volgende wijzigingen zijn aangebracht:

  • Verplaatsing van de verstrekking "Tijdelijk gebruik van een elektrodekatheter, intracavitair of in de slokdam, voor elektrosystolisch stimuleren van het hart";
  • Invoeging van een nieuwe verstrekking voor epicardiale elektrodekatheters voor het tijdelijk postoperatief elektrosystolisch stimuleren van het hart.

Heelkunde op de thorax en cardiologie - Materiaal voor autotransfusie
4 MEI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (B.S. 27 mei 2004, 2de Ed.).

De nomenclatuur wordt als volgt gewijzigd: in artikel 28 wordt de verstrekking "set voor autotransfusie van bloed voor de verstrekkingen…" (met waarde Y120) geschrapt en in artikel 35bis wordt de oorspronkelijk voorziene verstrekking "set voor het per- en postoperatief recupereren van het bloed met het oog op transfusie" (zonder U-waarde) geschrapt. Deze laatste verstrekking wordt verplaatst naar de verstrekking met waarde U 175 in artikel 35 bis, waarvan de omschrijving wordt vervangen door de volgende omschrijving: "geheel van het materiaal voor autotransfusie met behulp van een cellsaving-systeem gebruikt bij een majeure thoracale, vasculaire, orthopedische of abdominale ingreep met ernstig bloedverlies…". In §10quater van de nomenclatuur wordt de term "cellsaving" verklaard.

Termijnen voor de vernieuwing van orthopedische schoenen
4 MEI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 november 2001 tot vaststelling van een persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kostprijs van de orthopedishe zolen, van de orthopedische schoenen en van sommige andere verstrekkingen inzake orthopedie (B.S. 14 mei 2004).

4 MEI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 november orthopedishe zolen, van de orthopedische schoenen en van sommige andere verstrekkingen inzake orthopedie (B.S. 14 mei 2004).

Het eerste besluit bepaalt dat orthopedische schoenen en orthopedische voorzieningen, na de datum van de vorige levering, pas vernieuwd mogen worden na een termijn van:

  • 9 maanden voor de rechthebbende bij wie de vorige orthopedische schoenen of voorzieningen, behorende tot de categorieën A, B, C of D, zijn afgeleverd vóór zijn 18e verjaardag;
  • 1 jaar voor de rechthebbende bij wie de vorige orthopedische schoenen of voorzieningen, behorende tot de categorieën A, B, C of D, zijn afgeleverd vanaf zijn 18e verjaardag;
  • 2 jaar voor de rechthebbende bij wie de vorige orthopedische schoenen of voorzieningen, behorende tot de categorieën B of C, zijn afgeleverd vanaf zijn 65e verjaardag.

Het tweede besluit voegt de volgende bepaling in: "Wanneer de rechthebbende is toegerust met verstrekkingen uit verschillende categorieën dan is het persoonlijk aandeel van de categorie met het laagste persoonlijk aandeel toepasselijk op deze verstrekkingen". Deze bepaling moet toelaten om de kosten voor de rechthebbenden die aan zware aandoeningen lijden te beperken.2001 tot vaststelling van een persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kostprijs van de

Maximumfactuur - financiële regeling
5 MEI 2004

Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 37septiesdecies, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 2 juni 2004).

Ter herinnering, bij de wet van 5 juni 2002 werd de maximumfactuur ingevoerd en opgenomen in de wet van 14 juli 1994. De sociale en fiscale franchise die voor de maximumfactuur bestond, werd ingevoerd bij een programmawet van 24 december 1993. Deze programmawet bepaalde dat de Koning de regels zou vastleggen voor de financiële regeling van de fiscale franchise tussen het RIZIV en de toenmalige Administratie van de directe belastingen. Deze financiële regels werden vastgelegd in het koninklijk besluit van 22 maart 1999. Ingevolge de wet van 5 juni 2002 betreffende de maximumfactuur moeten de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 maart 1999 in overeenstemming worden gebracht met die van de wet betreffende de maximumfactuur. Dit koninklijk besluit bepaalt de financiële regels tussen het RIZIV en de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit. Het vervangt het koninklijk besluit van 22 maart 1999. Volgende wijzigingen werden aangebracht:

  • aangezien het koninklijk besluit van 22 maart 1999 laat werd bekendgemaakt, moest de vroegere situatie worden geregulariseerd. Deze bepalingen komen in de nieuwe tekst niet meer voor;
  • in het koninklijk besluit van 22 maart 1999 werden ook de financiële bepalingen vastgelegd voor de DOSZ en de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden. Het koninklijk besluit regelt enkele de financiële relaties van de belastingsdiensten met het RIZIV. Voor het overige werden de financiële bepalingen die reeds van kracht waren op basis van voormeld koninklijk besluit volledig opgenomen in het nieuw koninklijk besluit. Dit koninklijk besluit heft tevens het koninklijk besluit van 22 maart 1999 op. Er moeten evenwel overgangsmaatregelen worden getroffen voor de persoonlijke aandelen betreffende verstrekkingen die worden vergoed tot en met 2001.

Dit koninklijk besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002, namelijk de datum van inwerkingtreding van de wet betreffende de maximumfactuur.

Wijziging van de berekeningsregels voor de per verpleegdag betaalde forfaitaire honoraria inzake klinische biologie
7 MEI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 oktober 2002 tot uitvoering van artikel 57 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, betreffende de berekeningsregels voor de per verpleegdag betaalde forfaitaire honoraria inzake klinische biologie (B.S. 21 mei 2004).

De berekeningsregels voor de per verpleegdag betaalde forfaitaire honoraria inzake klinische biologie, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2002 hebben voor bepaalde ziekenhuizen aanleiding gegeven tot enkele anomalieën in de financiering van de klinische biologie. Daarom dienden de volgende wijzigingen te worden aangebracht in de berekeningsregels:

  • het begrip "categorale ziekenhuizen" werd ingevoerd; dit zijn ziekenhuizen die noch over een dienst voor diagnose en heelkundige behandeling (C), noch over een dienst voor diagnose en geneeskundige behandeling (D), noch over een dienst voor kindergeneeskunde beschikken (E);
  • de verdeling van de begroting op basis van de nationale gemiddelde uitgaven per dag en per dienstengroep werd vervangen door een verdeling op basis van de nationale gemiddelde uitgaven per dag en per dienst;
  • om elke dubbelzinnigheid te vermijden werd er gespecificeerd dat het gaat om een "permanente fysische aanwezigheid van de medisch laboratoriumtechnologen in het erkend ziekenhuislaboratorium";
  • de ziekenhuisdiensten werden onderscheiden door toevoeging van hun referentiecode;
  • de dienstengroepen werden herzien op het vlak van de verdeling van de partiële begroting inzake klinische biologie welke op basis van de nationale gemiddelde uitgaven per dienst wordt verdeeld;
  • voor de dienst voor neuropsychiatrie (A) in psychiatrische ziekenhuizen werd een onderscheid ingevoerd op basis van de gemiddelde verblijfsduur;
  • er werd toegevoegd dat de verdeling van de partiële begroting inzake klinische biologie op basis van de permanente fysische aanwezigheid van medisch laboratoriumtechnologen niet van toepassing is op de psychiatrische ziekenhuizen, op de categorale ziekenhuizen en op de diensten Sp in de algemene ziekenhuizen;
  • er werd gepreciseerd dat de lijsten met de namen van de medisch laboratoriumtechnologen die de permanentie binnen het laboratorium verzekeren door de hoofdgeneesheer ter beschikking moeten worden gehouden van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle.

Wijziging van de berekeningsregels voor de per verpleegdag betaalde forfaitaire honoraria inzake klinische biologie
7 MEI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 oktober 2002 tot uitvoering van artikel 57 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, betreffende de berekeningsregels voor de per verpleegdag betaalde forfaitaire honoraria inzake klinische biologie (B.S. 21 mei 2004).

De berekeningsregels voor de per verpleegdag betaalde forfaitaire honoraria inzake klinische biologie, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2002 hebben voor bepaalde ziekenhuizen aanleiding gegeven tot enkele anomalieën in de financiering van de klinische biologie. Daarom dienden de volgende wijzigingen te worden aangebracht in de berekeningsregels:

  • het begrip "categorale ziekenhuizen" werd ingevoerd; dit zijn ziekenhuizen die noch over een dienst voor diagnose en heelkundige behandeling (C), noch over een dienst voor diagnose en geneeskundige behandeling (D), noch over een dienst voor kindergeneeskunde beschikken (E);
  • de verdeling van de begroting op basis van de nationale gemiddelde uitgaven per dag en per dienstengroep werd vervangen door een verdeling op basis van de nationale gemiddelde uitgaven per dag en per dienst;
  • om elke dubbelzinnigheid te vermijden werd er gespecificeerd dat het gaat om een "permanente fysische aanwezigheid van de medisch laboratoriumtechnologen in het erkend ziekenhuislaboratorium";
  • de ziekenhuisdiensten werden onderscheiden door toevoeging van hun referentiecode;
  • de dienstengroepen werden herzien op het vlak van de verdeling van de partiële begroting inzake klinische biologie welke op basis van de nationale gemiddelde uitgaven per dienst wordt verdeeld;
  • voor de dienst voor neuropsychiatrie (A) in psychiatrische ziekenhuizen werd een onderscheid ingevoerd op basis van de gemiddelde verblijfsduur;
  • er werd toegevoegd dat de verdeling van de partiële begroting inzake klinische biologie op basis van de permanente fysische aanwezigheid van medisch laboratoriumtechnologen niet van toepassing is op de psychiatrische ziekenhuizen, op de categorale ziekenhuizen en op de diensten Sp in de algemene ziekenhuizen;
  • er werd gepreciseerd dat de lijsten met de namen van de medisch laboratoriumtechnologen die de permanentie binnen het laboratorium verzekeren door de hoofdgeneesheer ter beschikking moeten worden gehouden van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle.

Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle
18 MEI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wat de kamers van beroep betreft, en houdende diverse andere wijzigingen (B.S. 18 juni 2004, 2de Ed.).

Ter herinnering, Titel VI van de programmawet (II) van 24 december 2002 bevatte maatregelen betreffende de individuele responsabilisering van de zorgverleners. Hij heeft tevens de werking en de opdrachten van de "Dienst voor geneeskundige controle" (DGC) grondig gewijzigd. Deze wettelijke bepalingen zijn op 15 februari 2003 in werking getreden. Vanaf deze datum heet de DGC "Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle" (DGEC). Na deze programmawet is het verbod inzake vergoeding en toepassing van de derdebetalersregeling overigens afgeschaft. Er worden ook nieuwe sancties ingevoerd:

  • administratieve boetes;
  • andere sancties: verlies van accreditering (indien twee sancties op vier jaar tijd), terugvoerding van het niet-verschuldigd bedrag of schadeloosstelling voor de schade geleden door de ziekte- en invaliditeitsverzekering (art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek).

Voorwaarden waaronder kan worden afgeweken van het moratorium voor de revalidatieovereenkomsten
5 JUNI 2004

Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 217bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 10 juni 2004).

De programmawet van 31 december 2003 heeft artikel 217bis ingevoegd in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Vanaf 1 januari 2004, tot een datum te bepalen door de Koning volgens artikel 217bis, mag geen enkele nieuwe overeenkomst worden gesloten in de sector van de revalidatie en mogen de bestaande overeenkomsten niet worden gewijzigd, behalve onder de door de Koning voorziene voorwaarden. Dit besluit legt deze voorwaarden vast, evenals de periode tijdens dewelke ze van toepassing zijn.

Administratiekosten verzekeringsinstellingen
5 JUNI 2004

Koninklijk besluit betreffende de bedragen van de administratiekosten die voor het jaar 2004 aan de verzekeringsinstellingen worden toegekend (B.S. 10.06.2004).

Bij dit besluit worden de aan de verzekeringsinstellingen toegekende administratiekosten voor het jaar 2004 vastgesteld op:

  • 802.661.000 EUR voor de 5 landsbonden;
  • 13.818.000 EUR voor de Kas van de NMBS.

Bandagisten - orthopedisten - nomenclatuur
7 JUNI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (B.S. 29 juni 2004).

De wijziging van de nomenclatuur ingevolge dit besluit heeft voornamelijk tot doel de geldigheidsduur van het voorschrift in de praktijk te verduidelijken, gelet op de problemen wegens de huidige formuleringen, en de bewoordingen in de drie artikelen van de nomenclatuur (artikelen 27, § 18, 28, § 8, 23° en 29, § 19) te harmoniseren. De volgende bepaling vervangt aldus degene die tot nu toe bestond: " De in dit artikel voorziene producten mogen enkel verstrekt worden op voorschrift van een geneesheer en in overeenstemming daarmee. Het voorschrift blijft, te rekenen vanaf de datum van het voorschrift, geldig gedurende :

  • twee maanden indien het om een eerste toerusting gaat;
  • zes maanden indien het om een hernieuwing gaat.

Klinische biologie - globale begroting van de financiële middelen
7 JUNI 2004

Koninklijk besluit tot vaststelling van de globale begroting van de financiële middelen voor het hele Rijks voor de verstrekkingen inzake klinische biologie in 2003 in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging (B.S. 24.06.2004).

Bij dit besluit wordt de globale begroting van de financiële middelen voor het hele Rijk voor de verstrekkingen inzake klinische biologie vastgelegd. Dit budget bedraagt 818.379 duizenden EUR, waaronder 389.640 duizenden EUR voor ambulante verzorging en 428.739 duizenden EUR voor gehospitaliseerde rechthebbenden.

Diensten thuisverpleging - forfaitaire tegemoetkoming
7 JUNI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 april 2002 tot vaststelling van de forfaitaire tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de specifieke kosten van de diensten thuisverpleging en van de voorwaarden voor het toekennen van die tegemoetkoming (B.S. 1 juli 2004).

Ter herinnering, het Arbitragehof had door zijn arrest 78/2003 van 11 juni 2003 artikel 34, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 vernietigd, waarbij de vernietigde bepaling evenwel tot 31 december 2003 geldig bleef. Dit artikel bepaalde het volgende: "… worden, wat de diensten thuisverpleging betreft, de organisaties van verpleegkundige praktijk verstaan die uitsluitend beroep doen op loontrekkend of statutair personeel". Om in overeenstemming te zijn met het arrest van het Arbitragehof, moest het koninklijk besluit van 16 april 2002 (tot vaststelling van de forfaitaire tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de specifieke kosten van de diensten thuisverpleging en van de voorwaarden voor het toekennen van die tegemoetkoming) wordt aangepast. Dit besluit zorgt voor deze aanpassing. De tekst van dit besluit is gebaseerd op artikel 34, eerste lid, 1°, b van de wet in zijn versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 10 augustus 2001, zodat de diensten thuisverpleging niet meer gedefinieerd zijn in de wet. In de tekst van het koninklijk besluit wordt geen elke verwijzing gemaakt naar loontrekkend of statutair personeel.

Medische beeldvorming - globale begroting van de financiële middelen
11 JUNI 2004

Koninklijk besluit tot vaststelling van de globale begroting van de financiële middelen voor het hele Rijks voor de verstrekkingen inzake medische beeldvorming in 2003 in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging (B.S. 24.06.2004).

Bij dit besluit wordt de globale begroting van de financiële middelen voor het hele Rijk voor de verstrekkingen inzake medische beeldvorming vastgelegd. Dit budget bedraagt 773.757 duizenden EUR, waaronder 498.211 duizenden EUR voor ambulante verzorging en 275.546 duizenden EUR voor gehospitaliseerde rechthebbenden.

Terugbetaling van statines zonder machtiging
18 JUNI 2004

Ministerieel besluit tot aanduiding van de statines als therapeutische klasse van farmaceutische specialiteiten waarvoor een voorafgaande machtiging niet meer vereist is en tot vaststelling van het percentage van de daling van de vergoedingsbasis van de betrokken specialiteiten om te worden ingeschreven in hoofdstuk I van de lijst, gevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten (B.S. 21 juni 2004, Ed. 4).

18 JUNI 2004

Ministerieel besluit tot wijziging van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten (B.S. 21 juni 2004, Ed. 4).

Deze besluiten voeren nieuwe vergoedingsmodaliteiten voor statines in vanaf 1 augustus 2004. Deze geneesmiddelen kunnen voortaan onmiddellijk afgeleverd worden aan de patiënt voor wie de geneesheer deze behandeling heeft voorgeschreven. Het toezicht op het behoorlijk medisch voorschrift gebeurt dus a posteriori bij de geneesheer. Er zijn dus geen getuigschriften meer, maar de geneesheer moet zich ertoe verbinden zeer strikte criteria na te leven. Indien hij meent dat de patiënt zich niet houdt aan de vergoedingscriteria, kan hij het geneesmiddel voorschrijven door de vermelding "niet-vergoedbaar" toe te voegen.

De firma's die hun prijs ex-fabriek met -52% verminderen, worden ingedeeld in categorie B (zonder enige controle a priori of a posteriori).

Geneesheren - specialisten
22 JUNI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (B.S. 29 juni 2004).

De bij dit besluit aangebrachte wijzigingen hebben betrekking op de fysiotherapie en hebben tot doel de door de practici gevraagde verduidelijkingen te geven en de activiteiten van de geneesheren-specialisten erkend voor fysische geneeskunde en revalidatie te valoriseren, met als uiteindelijk doel de best mogelijke verzorging aan te bieden aan de patiënten volgens een passende verzorgingsplan voor iedere pathologische situatie, zowel voor acute en chronische aandoeningen als voor zware ziekten, waarbij tevens het budgettair evenwicht in stand wordt gehouden. Wijziging aangebracht in artikel 22 :

  • wat betreft de kwalificatie van de zorgverlenende geneesheer: de verstrekkingen worden verleend of gecoördineerd door de geneesheer-specialist erkend voor fysische geneeskunde en revalidatie;
  • wat betreft de postchirurgische behandeling van ledematen: de revalidatiebehandeling per lidmaat wordt uitgebreid tot beide ledematen in geval van orthopedische postchirurgische revalidatie (beperkt tot een keer per jaar en per lidmaat);
  • intakehonoraria: invoering van nieuwe codes voor het intakeonderzoek voor de behandeling met revalidatieplan (precisering van de diagnose, van de frequentie, van het totaal aantal zittingen en van de soorten verstrekkingen die deel moeten uitmaken van het therapeutisch plan);
  • wat betreft de kleinere verstrekkingen: verduidelijking van de situatie K20 en K15 (aantal K20 - bestaande code - beperkt tot de eerste 18 zittingen en aantal K15 - nieuwe code - vanaf de 19de zitting - globaal maximumaantal K21 + K15 voor 48 zittingen);
  • wat betreft de multidisciplinaire revalidatie: nieuwe code K30 voor monodisciplinaire revalidatie onder specifieke en gespecialiseerde voorwaarden (lymfoedeem en post radiotherapie);
  • wat betreft de aandoeningen van de wervelkolom: specifieke code voor pluridisciplinaire ambulante revalidatie.

Wijziging aangebracht in artikel 23 :

  • wat betreft de cumulaties: diagnostische verstrekkingen mogen niet gecumuleerd worden met therapeutische verstrekkingen en met revalidatieverstrekkingen. Restrictieve voorwaarden voor het cumuleren van diagnostische, therapeutische of revalidatieverstrekkingen met de raadpleging;
  • wat betreft de samenhang: beperkte voorwaarden inzake samenhang, zowel voor de verstrekkingen als voor het soort zorgverlener;

andere wijzigingen:

  • mededeling door de behandelend geneesheer aan de adviserend geneesheer van de VI en registratie van het individueel revalidatieplan
  • wekelijkse teamvergadering
  • opname in een enkele soort behandeling
  • beperking van de vergoeding voor sommige behandelingen tot degene uitgevoerd in een geïntegreerde dienst in een inrichting
  • beperking van het aantal zittingen evenals in de tijd, bijhouden van een register ter beschikking van adviserend geneesheer van de VI, van de DGEC, van de peer reviews.
Het besluit bevat ook een limitatieve lijst van aandoeningen voor multidisciplinaire revalidatie; deze lijst vermeldt de aandoeningen waarvoor de behandelingen worden vergoed, het soort zittingen K60 of K30 en het maximumaantal zittingen (120 of 60).

Terugbetaling van statines zonder machtiging
28 JUNI 2004

Ministerieel besluit tot wijziging van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten (B.S. 30 juni 2004, Ed. 2).

Dit besluit bevat een eerste lijst van statines die van prijs verminderen om deel te kunnen uitmaken van B zonder controle (hoofdstuk 1) op 1 augustus 2004.

Contraceptie voor jongeren - aanpassing van de lijst
29 JUNI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 maart 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité overeenkomsten kan sluiten in het kader van een experimentele financiering van contraceptiva voor jongeren met toepassing van artikel 56, § 2, eerste lid, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, voor de jaren 2004, 2005 en 2006 (B.S. 30 juni 2004, 2de Ed.).

Ter herinnering, het koninklijk besluit van 24 maart 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité overeenkomsten kan sluiten in het kader van een experimentele financiering van contraceptiva voor jongeren met toepassing van artikel 56, § 2, eerste lid, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, voor de jaren 2004, 2005 en 2006 werd in het Belgisch Staatsblad van 29 maart 2004 bekendgemaakt. Artikel 2 van dit besluit bepaalt dat de lijst om de zes maanden kan worden aangepast om rekening te houden met nieuwe middelen of met wijzigingen van de verkoopprijs aan het publiek en/of van de vergoedingsbasis. Dit besluit wijzigt, enerzijds, de tekst van het besluit door het woord "vergoedingsbasis" te vervangen door het woord "rekenbasis" en, anderzijds, de inschrijving van sommige middelen. Deze wijzigingen zijn: een prijsvermindering met 2 EUR voor het middel Nova-T, een prijsverhoging met 1,17 EUR voor het middel Norlevo 0,75 mg en het toevoegen van enkele nieuwe middelen die in de oorspronkelijke lijst niet vermeld waren.

Inkomsten personen ten laste en verhoging onregelmatige minimumbedragen
6 JULI 2004

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (M.B.9 juli 2004).

Dit besluit wijzigt het koninklijk besluit van 3 juli 1996 wat betreft de inkomsten van de persoon ten laste en de verhoging van onregelmatige minimumbedragen.

Vergoeding van weesgeneesmiddelen
8 JULI 2004

Koninklijk besluit betreffende de vergoeding van weesgeneesmiddelen (B.S. 20 juli 2004, 3de Ed.).

13 JULI 2004

Ministerieel besluit tot wijziging van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten (B.S. 20 juli 2004, 3de Ed.).

Volgens het eerste besluit wordt de vergoeding van weesgeneesmiddelen beoordeeld door het College van geneesheren voor weesgeneesmiddelen. Het voorziet in de oprichting van een College van geneesheren voor weesgeneesmiddelen, belast met de volgende opdrachten:

  • de beoordeling van het individueel recht van de rechthebbende op vergoeding van een weesgeneesmiddel, voor zover de vergoedingsvoorwaarden van het betrokken weesgeneesmiddel in een dergelijke beoordeling voorzien, en voor zover de adviserend geneesheer het advies van het College over het betrokken dossier heeft gevraagd;
  • de evaluatie van de bestaande vergoedingsvoorwaarden voor weesgeneesmiddelen en het verlenen van adviezen daaromtrent aan de Minister en aan de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen;
  • het jaarlijks opstellen van een activiteitenverslag ten behoeve van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.

Het tweede besluit voorziet in de vergoeding van de weesgemeesmiddelen Fabrazyme, Replagal, Tracleer en Aldurazyme

Programmawet
9 JULI 2004

Programmawet (B.S. 15 juli 2004, 2de Ed.).

De hoofdlijnen van deze programmawet kunnen als volgt worden samengevat:

Geneesmiddelen

In dit deel over geneesmiddelen worden vier doelstellingen nagestreefd:

  • de procedures inzake zuurstof op een eenduidige manier regelen: een nieuwe specifieke categorie voor zuurstof wordt ingevoerd. Wat de vergoeding betreft, wordt zuurstof als een farmaceutische specialiteit beschouwd, waarvoor de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen dus bevoegd wordt. De overeenkomstencommissie Apothekers - Verzekeringsinstellingen wordt bevoegd om de regels voor installatiehonoraria en een forfaitaire tegemoetkoming voor de patiënt vast te leggen. Deze tegemoetkoming moet de kosten in verband met het materieel, de toebehoren en eventueel de administratiekosten dekken;
  • meer objectieve en controleerbare vergoedingscriteria voor de geneesmiddelen invoeren;
  • meer samenhang brengen in het toepassingsgebied voor de sancties in verband met de vergoeding;
  • de bijkomende bijdrage op de omzet gerealiseerd tijdens het jaar 2003 door de farmaceutische firma's invoeren, overeenkomstig de bij de wet voorziene procedure.

Verhoogde verzekeringstegemoetkoming

Dit deel heeft tot doel de nadelige gevolgen door de inwerkingtreding op 1 mei 2003 van nieuwe criteria voor de toekenning van verhoogde kinderbijslag weg te werken. Door de wetswijziging wordt bevestigd dat alle kinderen met een handicap van minstens 66 pct. nog steeds recht hebben op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming.

Maximumfactuur

Door dit deel moet worden voorkomen dat hetzelfde remgeld wordt terugbetaald zowel in het kader van de maximumfactuur als op basis van een andere Belgische of buitenlandse reglementering.

Reservefondsen

De reservefondsen inzake uitkeringen worden aan de sector geneeskundige verzorging toegewezen om eeuwig openstaande schulden in de balans van het RIZIV te voorkomen.

Pensioenkadaster: inhouding met 3,55 pct.

De wetswijzigingen hebben tot gevolg:

  • dat de RVP verantwoordelijke wordt voor het centraliseren van alle informatie en dat deze instelling het voornaamste aanspreekpunt voor de gepensioneerden wordt zowel voor de bijdrage geneeskundige verzorging als voor de solidariteitsbijdrage;
  • dat de RVP de teveel geïnde bedragen rechtstreeks aan de gepensioneerden die bedragen ten laste van de RVP ontvangen, kan terugbetalen en dat de per gepensioneerde terug te betalen bedragen in alle andere gevallen worden bepaald.

Moederschapsverlof

De duur van het facultatief prenataal verlof wordt met een week ingekort en de duur van het verplicht postnataal verlof wordt met een week verlengd. De maximumduur van het facultatief verlof bedraagt dus 6 weken in de plaats van 7 weken (respectievelijk 8 weken in de plaats van 9 weken in geval van een meergeboorte), terwijl de duur van het verplicht postnataal verlof 9 weken in de plaats van 8 weken bedraagt.

Het gaat hier om de verschuiving van een week en de totale duur van het moederschapsverlof blijft ongewijzigd.

De programmawet voorziet daarenboven in de verlenging van het moederschapsverlof in geval van hospitalisatie van de pasgeborene.

Indien het kind wordt gehospitaliseerd meer 7 dagen na zijn geboorte, mag de werkneemster haar moederschapsverlof verlengen met een duur gelijk aan de hospitalisatieperiode van de pasgeborene, die de 7 eerste dagen overschrijdt. De duur van deze verlenging mag evenwel geen 24 weken overschrijden.

Deze nieuwe bepalingen gelden voor de bevallingen vanaf 1 juli 2004.

Adoptieverlof

De wet voorziet in nieuwe regels voor de toekenning van adoptieverlof. Het recht op dit verlof wordt verlengd tot maximum 4 of 6 weken naar gelang van de leeftijd van het kind. Deze duur wordt verdubbeld in geval van handicap of ernstige aandoening. Een besluit zal bepalen hoe de werknemer tijdens deze periode wordt vergoed (werkgever en/of ziekenfonds).

Inwerkingtreding: de nieuwe regeling geldt voor de adopties die behoorlijk zijn ingeschreven in de bevolkingsregisters na de inwerkingtreding van de wet.

Verplichte verzekering voor zelfstandigen

Een wettelijke basis is voorzien voor de aangekondigde opname van de kleine risico's in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (vanaf 1 juli 2006). Door deze opname zullen de zelfstandigen, de helpers, de meewerkende echtgenoten en de leden van kloostergemeenschappen kunnen genieten van dezelfde bescherming als de werknemers.